|
Lezen is een interactie van snelle
oogbewegingen en fixatiemomenten. Men ziet / leest de tekst niet tijdens de
snelle oogbewegingen, maar wel tijdens de fixatiemomenten. Met de periferie van
het netvlies kunnen we waarnemen waar het einde van de zin staat en in welke
richting we dus moeten bewegen.
Wanneer men van het einde van een zin 'op
zoek' gaat naar de volgende zin, gebeurt dit in de regel door middel van een
schuine beweging van rechts boven naar links onder.
Men leest met de macula (het centrale deel
van het netvlies). Dit is het enige deel van het netvlies waarmee details kunnen
worden waargenomen.
Deze reflex is heel sterk ontwikkeld: de
hersenen kiezen automatisch het centrum van de retina, dus de macula, om mee te
lezen of details te zien. Wij bewegen onze ogen in de richting van het detail
dat we willen zien. Omdat het een reflex is, kan men het niet zomaar
onderdrukken.
Het fixatieveld is het aantal letters dat
men in totaal kan overzien bij fixeren op één letter. Een fixatieveld bestaat
bij normale visus uit 10 tot 15 letters.
Als men ook stukjes netvlies náást de
macula gebruikt, d.w.z. de paracentrale visus, wordt het fixatieveld breder.
Geoefende lezers gebruiken ook hun paracentrale visus.
Hoe breder het fixatieveld, des te sneller
men kan lezen.
Het fixeren van een lang woord duurt
namelijk net zo lang als het fixeren van een kort woord.
Als het lezen normaal verloopt, is er sprake
van een aaneenschakeling van fixatiemomenten, op elkaar aansluitend door middel
van oogbewegingen (als kralen van een ketting).
Als men de tekst niet meteen begrijpt, gaat
men terug en herleest men de tekst nog eens. Dit worden regressies genoemd.
Regressies kosten tijd en energie.
|