|
Het hoornvlies (de cornea) is het venster
waardoor het licht ons oog binnenkomt. De cornea is helder, zodat de stralen
'ongehinderd' het hoornvlies kunnen passeren. Het hoornvlies is verantwoordelijk
voor een belangrijk deel van de totale lichtbreking.
Het hoornvlies bevat veel zenuwuiteinden.
Daardoor is aanraken van het hoornvlies heel pijnlijk (denk bijvoorbeeld aan een
vliegje of een stofje in het oog).
De voorste oogkamer is de ruimte tussen het
hoornvlies en de iris. Deze is gevuld met het kamerwater. Dit kamerwater bevat
zuurstof en voedingsstoffen. De functie van het kamerwater is de voeding van
cornea, lens en glasachtig lichaam. Er is steeds een constante hoeveelheid
kamerwater in de ruimte aanwezig, omdat er een constante hoeveelheid wordt
aangevoerd en ook weer afgevoerd.
De pupil wordt gevormd door de iris. De
pupil is in feite niets anders dan een opening in de iris. Hiermee kan de
hoeveelheid licht die het oog binnenkomt worden geregeld. De pupil kan groter en
kleiner worden, afhankelijk van de hoeveelheid licht in de omgeving.
Bij veel licht (b.v. fel zonlicht) wordt de
pupil kleiner om het netvlies af te schermen voor te veel licht. Bij weinig
licht (b.v. in een donkere ruimte) wordt de pupil juist groter om meer licht tot
het oog toe te laten.
De lens breekt de lichtstralen die het oog
binnenvallen, en zorgt er voor dat het beeld precies op het netvlies valt en
daardoor scherp wordt gezien. De lens dient helder te zijn.
De lens kan van vorm veranderen; hij kan
plat en boller zijn.
Wanneer men naar een beeld op afstand kijkt,
komen de lichtstralen van dat voorwerp evenwijdig het oog binnen. De lens zorgt
dan in zijn meest platte vorm voor een scherp beeld op het netvlies.
Wanneer men naar een voorwerp op korte
afstand kijkt (b.v. bij lezen), komen de stralen divergent (uit elkaar lopend)
het oog binnen. De lens wordt dan boller waardoor een sterkere lichtbreking
ontstaat en daardoor een scherp beeld op het netvlies. Dit noemt men
accommodatie.
Naarmate men ouder wordt, neemt de
elasticiteit van de lens af, en daarmee het accommodatie-vermogen. Vanaf
ongeveer 45 jaar heeft daarom bijna iedereen een leesbril nodig.
Het glasachtig lichaam (of glasvocht)
bestaat uit een gelei-achtige vloeistof. De binnenste holte van het oog wordt
opgevuld door dit glasachtig lichaam. Hierdoor worden de lagen die de
binnenbekleding van het oog vormen (netvlies en vaatvlies) tegen de buitenwand
aangedrukt (te vergelijken met de binnenband van een fiets, die tegen de
buitenband drukt en hem zo in vorm houdt). Het glasachtig lichaam is mooi
helder.
De retina (= netvlies) is het beeldscherm
waarop het beeld wordt geprojecteerd. Het is een flinterdun vlies dat de
binnenzijde van het oog bekleedt.
De retina bevat 2 soorten zenuwcellen: de
kegeltjes en de staafjes.
Deze zetten lichtenergie om in zenuwprikkels
die naar de hersenen gezonden worden. Daar wordt het beeld geïnterpreteerd.
De kegeltjes nemen details en kleuren waar.
Ze hebben licht nodig om te kunnen functioneren.
De staafjes nemen grove contouren waar, maar
geen details. Ze functioneren bij (schemer)donker, zij zijn heel lichtgevoelig
en hebben dus weinig licht nodig. Met de staafjes kunnen we geen kleuren zien,
maar nemen we alles in grijstinten waar. Dit kun je bijvoorbeeld ervaren wanneer
je in een donkere kelder iets zoekt.
Precies in het centrum, recht achter de
pupil, ligt de macula of gele vlek. Deze is heel klein, en bevat alléén maar
kegeltjes.
Rondom de macula spreken we van de
periferie. In de periferie liggen met name staafjes en in veel mindere mate
kegeltjes.
Het aantal kegeltjes neemt af naarmate de
afstand tot de macula toeneemt.
Aan de nasale (neus) kant van de macula
bevindt zich de blinde vlek.
Dit is de plek waar alle zenuwvezels samen
gebundeld worden en als de oogzenuw het oog 'verlaten'. Met deze 'blinde vlek'
kan men niets zien, omdat zich op deze plaats geen zenuwcellen bevinden.
|