|
Het gezichtsveld is dat deel van de ruimte
dat wordt waargenomen als het oog gefixeerd is op een bepaald punt.
Het gezichtsveld dat met twee ogen tegelijk
kan worden overzien, heet het binoculaire gezichtsveld. Meestal is de grens van
het gezichtsveld naar temporaal (de slaapkant) circa 90 - 100 graden, naar
nasaal (neuskant) 50 graden, naar boven en naar beneden 50 - 60 graden.
De gevoeligheid van het netvlies hangt af
van de plaats op het netvlies:
in het centrum, ter plaatse van de macula,
is de gevoeligheid hoog. Hier kan men goed details en kleuren zien, omdat hier
alleen maar kegeltjes zitten: de zenuwcellen die verantwoordelijk zijn voor het
detailzien en kleurenzien.
In de periferie is de gevoeligheid laag.
Hier kan men geen details zien, maar men kan wel zien dat er iets is. Wat
betreft het kleurenzien, geldt voor de periferie dat van grotere en fel
gekleurde oppervlakken wel de kleur wordt waargenomen, maar van kleine
zachtgekleurde oppervlakken niet. Dit komt doordat hier veel staafjes zitten en
veel minder kegeltjes.
Kenmerkend voor de periferie is dat
bewegende objecten beter worden waargenomen dan stilstaande. Hiervan maakt men
veel gebruik tijdens mobiliteit / in het verkeer.
Het gezichtsveld wordt gemeten tijdens het
gezichtsveldonderzoek of perimetrie. Tevens kan het centrale gezichtsveld nader
worden onderzocht met de Amsler-test.
Het gezichtsveld wordt uitgedrukt in graden.
Uit bovenstaande blijkt het verschil tussen
het gezichtsveld en de gezichtsscherpte.
Het gezichtsveld zegt iets over de functie
van het gehele netvlies; gezichtsscherpte echter zegt alleen iets over de
functie van de 'fovea' (het centrale gedeelte van de macula) bij een gefixeerde
blikrichting.
Alleen het punt waarop men fixeert wordt
scherp gezien. De voorwerpen worden onscherper waargenomen naarmate de hoek
tussen deze voorwerpen en het fixeerpunt groter wordt.
Verschillende oogaandoeningen kunnen
gezichtsvelduitval tot gevolg hebben.
De uitval kan ontstaan doordat:
- de zenuwcellen die het netvlies vormen
niet (goed) functioneren;
- de impulsen vanuit de zenuwcellen niet
goed naar de hersenen worden geleid, ten gevolge van een niet (goed)
functioneren van de zenuwvezels of de gehele oogzenuw;
- de hersenen ter plaatse van de visuele
cortex (deels) beschadigd zijn.
Bij beperkt centraal gezichtsveld van 10
graden of minder spreekt men van 'kokervisus'. Hierbij mist men het
perifere gezichtsveld, waardoor de mobiliteit en het hebben van overzicht
bemoeilijkt worden.
Het andere 'uiterste' noemt men centrale
uitval. Hierbij worden beelden die precies op de macula vallen niet waargenomen.
Men kan dan geen details waarnemen en meestal ontstaan problemen bij het
kleurenzien.
Ook kunnen er allerlei andere vormen van
gezichtsvelduitval voorkomen.
Een andere naam voor gezichtsvelduitval
is 'scotoom'.
Er zijn twee soorten scotomen; absolute en
relatieve scotomen. Een absoluut scotoom is een uitval waarbij het totale beeld
dat op dat stukje netvlies valt, ontbreekt.
Bij een relatief scotoom is sprake van een
gedeeltelijke uitval; niet alle cellen op dat stukje netvlies functioneren goed
of niet alle bijbehorende vezels geven de informatie goed door aan de hersenen.
Hierdoor ontstaat een slecht beeld (te vergelijken met het beeld dat men ziet
als men door een vergiet heen kijkt).
De blinde vlek is een voorbeeld van een
absoluut scotoom. Ter plaatse van de blinde vlek kan men niets waarnemen, omdat
op de plaats waar de zenuwvezels het oog verlaten en overgaan in de oogzenuw,
zich geen zenuwcellen bevinden. Toch merken we daar niets van. Dit komt doordat
de hersenen de ontbrekende informatie 'invullen'.
Dit zelfde fenomeen doet zich voor bij
gezichtsvelduitvallen die zijn ontstaan ten gevolge van een oogaandoening. Als
mensen met een centrale uitval bijvoorbeeld op een lang woord fixeren, vallen de
middelste letters van dat woord weg, maar dit 'gat' wordt door de hersenen
opgevuld, zodat een 'nieuw' woord ontstaat dat ineens niets meer betekent.
|