|
De visus of gezichtsscherpte is de mate
waarin wij details kunnen onderscheiden; het vermogen om twee dicht bijeen
liggende punten van elkaar te onderscheiden.
In het centrum van de retina bevindt zich
een heel klein gebiedje waarmee we kleine details kunnen zien. Het netvlies is
hier heel dun en er zijn geen bloedvaten die het licht onderbreken. Dit plekje
heet de gele vlek of macula. Dit is het plekje midden in het centrum van het
netvlies, recht achter de pupil. In de gele vlek bevinden zich alleen kegeltjes
en geen staafjes. Deze kegeltjes (ongeveer 6 miljoen in getal) liggen dicht
bijeen, zij kunnen ieder hun eigen impulsen aan de hersenen doorgeven. Daardoor
is in de gele vlek (macula) een zeer hoge gezichtsscherpte mogelijk.
De kegeltjes functioneren alleen als er
voldoende licht aanwezig is. Wanneer de helderheid groter wordt, is ook de
gezichtsscherpte groter; de kegeltjes worden meer geprikkeld. In de schemering
functioneren de kegeltjes minder of niet, zodat de gezichtsscherpte dan ook
minder is.
Met de macula lezen we, herkennen we mensen,
zien we dat het eten de goede kleur krijgt bij bakken, etc.
Steeds als we iets bekijken, richten we de
ogen zodanig dat het beeld op de macula valt. Deze fixatie-reflex ontwikkelt
zich al in de wieg.
De gezichtsscherpte wordt uitgedrukt in
de formule V = d/D.
V = visus
d = afstand van de persoon tot de
letterkaart
D = afstand waarop een 'goed' (emmetroop)
oog de letter nog kan herkennen
(Met andere woorden: de testafstand gedeeld
door normale afstand)
De visus wordt gemeten door de oogarts of
door een optometrist / opticien.
Hiervoor gebruikt hij de letterkaart.
Iedere letterkaart is gestandaardiseerd voor
een bepaalde afstand: 3, 5, of 6 meter.
De persoon wordt gevraagd welke letters hij
kan lezen van boven naar beneden. Wanneer hij tot onderaan komt, heeft hij een
visus van 1 ofwel: 100 %.
Wanneer iemand ergens halverwege blijft
'steken', correspondeert dat met een bepaalde visuswaarde. Deze visuswaarde
wordt uitgedrukt in procenten of in een breuk.
Bijvoorbeeld 20 % of anders gezegd: 2/10.
(Deze procenten of breuken zijn gewone breuken.)
Dit betekent dat de betreffende persoon
moeite heeft met het waarnemen van details. Wanneer iemand bijvoorbeeld een
visus van 2/10 heeft, betekent dit dat hij op 2 meter de details kan zien die
een goedziende al op 10 meter afstand kan zien. Zo zal een goedziende die op 10
meter afstand van een boom staat, zien welke vorm de blaadjes hebben. De
slechtziende zal naar de boom toe moeten lopen en pas op 2 meter afstand zien of
het om een beuk of een eik gaat.
Bij sterke slechtziendheid worden de
volgende methodes gebruikt:
- vingers tellen op 1 m. = 1/60
- handbewegingen waarnemen op 1 m. = 1/300
- licht / donker perceptie = er wordt
alleen waargenomen of het in een ruimte licht of donker is.
Bij een gezichtsscherpte van 0,3 of lager
heeft men hoogstwaarschijnlijk leesproblemen.
De ontwikkeling van de gezichtsscherpte is
pas voltooid na het 4e levensjaar.
De visus die we uiteindelijk hanteren, is
de waarde die men bereikt na optimale correctie.
De refractie van het oog is de verhouding
tussen de sterkte van het optische stelsel en de lengte van het oog gemeten in
de optische as.
De stralen die het oog binnenvallen worden
door het optische systeem van het oog (gevormd door hoornvlies, lens en
glasvocht) zodanig gebogen dat zij in één punt bij elkaar komen.
Wanneer de verhouding tussen de maat van het
oog en de sterkte van het optische systeem precies goed is, valt dit punt exact
op het netvlies. Men spreekt dan van een emmetroop oog.
Als de beeldvorming niet op het netvlies
plaatsvindt, spreekt men van ametropie.
Dit kan berusten op fouten in de brekende
kracht van het optische systeem, of op afwijkingen in de maat van het oog. Een
combinatie van beide oorzaken is ook mogelijk. Er zijn twee vormen van
ametropie, namelijk myopie (bijziendhied) en hypermetropie (verziendheid).
Als de stralen door het optische systeem
zodanig gebroken worden dat het brandpunt vóór het netvlies valt, spreekt men
van myopie. Er is dan sprake van een relatief ‘te groot oog’ of een te sterk
brekend optisch systeem.
Deze brekingsafwijking kan worden
gecorrigeerd door middel van negatieve glazen of lenzen.
(zie tekening)
Als de stralen door het optische systeem
zodanig gebroken worden dat het brandpunt achter het netvlies valt, spreekt men
van hypermetropie. Er is dan sprake van een relatief ‘te klein oog’ of een
te zwak brekend optisch systeem.
Deze brekingsafwijking kan worden
gecorrigeerd door middel van positieve glazen of lenzen.
(zie tekening)

|