|
Complicaties van ooglaserbehandelingen
Het uitvoeren van oogcorrecties door middel van laserbehandeling is
niet altijd zonder gevaar. Ook al verloopt de ingreep meestal zonder
problemen toch kunnen complicaties of nevenwerkingen optreden.
Meestal wordt u verzocht voor de behandeling een
'vrijstellingsdocument' te ondertekenen waarbij u aangeeft op de hoogte te
zijn van de risico's en mogelijke negatieve gevolgen van de ingreep.
Na een behandeling kunnen complicaties
leiden tot een verslechtering van uw zicht of blijvende klachten. Het kan zijn dat uw scherptezicht
goed is terwijl u toch last heeft van klachten zoals bijv.
dubbele beelden, spookbeelden, contrastverlies enz.
Vooraleer
te beslissen een ooglaserbehandeling te ondergaan, dient u
dus rekening te houden
met de mogelijkheid dat er na behandeling blijvende klachten kunnen
voorkomen die een negatief effect kunnen hebben op de kwaliteit van uw
zich. In de ergste gevallen kan dit op zich leiden tot negatieve gevolgen
voor uw privé- of beroepsleven.
In verband met mogelijke complicaties wordt aangeraden de ingreep in de
buurt van uw woonplaats te laten uitvoeren, zodat eventuele
nabehandelingen gemakkelijker kunnen uitgevoerd worden.
Een overzicht van complicaties in
functie van de ingreep vindt u
hier
Uw
gezichtsscherpte
kan minder worden. De gezichtsscherpte wordt gemeten met de
Snellen kaart.
Droge
ogen: Dit treedt frequent op en kan tot twee jaar aanhouden. De
behandeling bestaat uit het meerdere malen per dag bevochtigen van het oog
met aangepaste oogdruppels .
Lichtgevoeligheid: Gedurende het genezingsproces
zijn de ogen zeker in de beginfase veel gevoeliger voor licht. Ook nadien
is verder noodzakelijk dat uw ogen goed beschermd worden tegen
schadelijke uv-straling. Een goede zonnebril die het uv licht filtert is
dan ook noodzakelijk tot ca. 1 jaar na behandeling. Let ook op bij het gebruik van een zonnebank en
het felle zonlicht als u op wintersportvakantie gaat.
Duizeligheid: Door het vervormd waarnemen van beelden kunt u licht
duizelig worden of een ‘zeeziek’ gevoel krijgen.
Vermoeidheid: Blijvende klachten na de behandeling kunnen leiden tot
vluggere vermoeidheid.
Halo’s en
strooilicht: deze optische aberratie houdt in dat u verblindende
kringen en strepen rondom lichtbronnen ziet. Dit komt voor na vele vormen
(niet alleen LASIK) van refractiechirurgie. Vlak na de operatie treden
bij veel mensen haloklachten op. Normaal gesproken nemen deze af tot ca.
3 maanden na de operatie. Dit fenomeen kan echter ook blijvend zijn en als
zeer storend worden ervaren speciaal bij omstandigheden waarin er weinig
licht is (autorijden ’s nachts, werken in slecht verlichte ruimten etc.)
Halo’s in het verkeer.

Bron:
www.LasikDisaster.com
Zeer groot strooilicht rondom autokoplampen.

Bron:
www.LasikDisaster.com
Dubbelbeelden: dubbelbeelden ontstaan doordat het hoornvlies na
behandeling niet helemaal glad is maar bedekt met heuvels en dalen.
Daardoor wordt het licht in vreemde richtingen gebogen en ontstaan
dubbelbeelden. Het verschil tussen spookbeelden en dubbelbeelden hangt min
of meer van de mate waarin ze optreden. Bij dubbelbeelden is het tweede
beeld ondoorschijnend terwijl men bij spookbeelden makkelijker door het
tweede beeld heen kan kijken.

Bron:
www.surgicaleyes.org
Spookbeelden:
Dit fenomeen houdt in dat u (net zoals bij dubbelbeelden) naast
het hoofdbeeld, een of meerdere beelden dubbel ziet. Bij spookbeelden ziet
u het tweede beeld dan ergens vervaagd naast het hoofdbeeld. (zie
onderstaande afbeelding)
|
Dit is wat een
gezond oog ziet |
In dit voorbeeld ziet u het
spookbeeld rechtsonder het hoofdbeeld. |
|
 |
 |
Bron:
www.surgicaleyes.org - Atkinson Photography
Contrastverlies:
|
Dit is het contrast dat een gemiddeld, normaal gezond oog ziet. |
Dit is het contrast als u last heeft van contrastverlies. Dit kan in
meer of mindere mate optreden. Let op hoe slecht het kind naast de
auto nog zichtbaar is!
|
|
 |
 |
Bron
afbeeldingen: Dr. Arthur P. Ginsburg, Vision Sciences Research
Corporation™
Kramp:
Als na de oogoperatie klachten overblijven, kan het voorkomen dat uw oog zich erg inspannen
moet
om goed te kunnen zien. Dit langdurige accommoderen van uw oog kan
resulteren in kramp van de oogspieren.
Hoofdpijn: Na de ingreep kan het zijn dat u zich erg moet inspannen en
concentreren om een beeld duidelijk waar te nemen. Dit kan resulteren in hoofdpijnklachten.
Nachtbijziendheid: Omdat alleen het centrale deel van het hoornvlies
gemodelleerd wordt, kunnen ogen meer bijziend worden als de pupil vergroot,
zoals onder schemercondities. Het kan dan nodig zijn om een
lichte bril te dragen.
Ondercorrectie: Resterende bijziendheid of verziendheid.
Ondercorrectie ontstaat wanneer er onvoldoende weefsel van het hoornvlies
is verwijderd met de laserbehandeling. Ondercorrectie is te behandelen
door een herbehandeling waarbij de flap opgetild wordt en er een
aanvullende laserbehandeling plaatsvindt. Elke nabehandeling houdt weer
opnieuw een risico in.
Overcorrectie: ontstaat wanneer er teveel weefsel is verwijderd en kan
moeilijker te corrigeren zijn met een nabehandeling. Elke nabehandeling
houdt weer opnieuw een risico in.
Regressie: Dit houdt in dat uw sterkte
tijdens het genezingsproces weer toeneemt nadat de behandeling in eerste
instantie uw sterkte heeft doen afnemen.
Oogboldrukverhoging: Dit kan een gevolg zijn van de voor de
behandeling gebruikte steroïde druppels welke gedurende de eerste maanden
drie- tot vijfmaal per dag gebruikt moeten worden. De oogboldrukverhoging
kan soms een tweede soort oogdruppel noodzakelijk maken. De oogdruk
behoort bij iedere controle gemeten te worden.
Cornea erosies(recidiverende hoornvliesdefecten) Deze kunnen ontstaan bij een aangeboren zwak
hoornvliesepitheel. De behandeling hiervan kan langdurig zijn.
Cornea punctata(hoornvliesdefect). Dit geeft een zandgevoel en wordt mogelijk veroorzaakt door
conserveermiddelen in de druppels of door NSAID druppels. Dit leidt zelden
tot problemen en geneest doorgaans snel.
Hoornvlies epitheel problemen: (<1%) De
beschadiging aan de membraan van Bowman ligt hieraan ten grondslag. Een
slecht genezend epitheel gaat gepaard met periodes van veel pijn.
Hoornvliesplooien. Zij vormen onderwerp van discussie. Geringe plooien behoeven geen behandeling. Als de
gezichtsscherpte erdoor is gedaald dan lijkt de beste techniek het liften
van de hoornvliesflap en opnieuw terug plaatsen.
Blijvende plooien kunnen het zicht verminderen.
Dunne, incomplete of volledig losliggende
hoornvliesflap. Deze complicaties treden op tijdens het
snijden met de microkeratoom. De chirurg moet tijdens de ingreep
beoordelen of de behandeling kan worden voortgezet of dat na terugplaatsen
van de flap er drie maanden gewacht moet worden voor de laserbehandeling.
Een
verschoven hoornvliesflap kan vroeg na de behandeling worden
teruggeplaatst.
Een verloren hoornvliesflap maakt het dragen van
een contactlens noodzakelijk, totdat er een lamellaire
hoornvliestransplantatie kan plaatsvinden.
Achtergebleven elementen: Onder het flapje kunnen
dunne draadjes stof, vetbolletje, epitheel cellen, stukjes ijzer van het
microkeratoom of andere microscopisch kleine elementen terechtkomen. Deze
kunnen onopgemerkt blijven tijdens de ingreep en pas veel later zichtbaar
worden. In het algemeen worden zij verwijderd. Dit gebeurt door het flapje
over een gebied van enkele millimeters op te lichten en de verontreiniging
met wat water weg te spoelen.
Cyste:
de oppervlakkige (epitheel-)cellen van het hoornvlies kunnen tijdens de
behandeling onder de flap komen, waardoor na enkele weken tot maanden een
klein bultje (cyste) kan optreden, dat
operatief verwijderd moet worden.
Onregelmatig astigmatisme: Complicaties
kunnen ook ontstaan ten gevolge van een onvoldoende fixatie van het
laserlicht: hierdoor kunnen excentrische afvlakkingen van het hoornvlies
optreden die leiden tot een onregelmatig astigmatisme. Als dit klachten
geeft kan een aanvullende behandeling nodig zijn of zal het dragen van een
contactlens nodig zijn.
Diffuse intralamellaire keratitis: Een
infectie in het snijvlak. Dit is een complicatie die kan worden behandeld
met steroïde druppels en/of het schoonspoelen van het snijvlak.
Epitheliale ingroei : Deze complicatie kan
worden behandeld met het liften van de hoornvliesflap en het verwijderen
van het epitheel. Bij geringe stabiele ingroei kan worden afgewacht.
Infectie in het hoornvlies: Dit is weinig
voorkomende een
complicatie waarbij een snelle en adequate behandeling met antibiotica
nodig is.
Keratectasie: (voortschrijdende uitbochting van
het hoornvlies). Dit is een zeldzame complicatie
waarbij er na een periode van enkele maanden tot soms twee jaar een toename van bolling van het hoornvlies zich
voordoet. Hierdoor neemt de sterkte van het oog weer toe. Een deel van
deze groep zal een hoornvliestransplantatie nodig hebben om de afwijking
te kunnen corrigeren.
Reticulaire stromale haze. Een vertroebeling in het hoornvlies die
verminderd contrastzien en gezichtsscherpte kan veroorzaken. Dit wordt
veroorzaakt door beschadiging van de membraan van Bowman in de
oppervlakkige epitheellaag van het oog. Naarmate de te corrigeren
afwijking (sterkte) groter is dient er meer weefsel verwijderd te worden
en dus dieper gelaserd te worden. Hierdoor is de beschadiging aan de
membraan groter en neemt de kans dat er meer waas gedurende langere tijd
zal zijn, toe. Deze klacht, die bij 9-30% van de patienten voorkomt, kan
blijvend zijn. In het algemeen verdwijnt de vertroebeling in het hoornvlies
na 12 tot 24 maanden. De mate waarin 'haze' optreedt wordt aangegeven op een
schaal van 0 ( geen waas, helder hoornvlies) tot 5 (ernstige
littekenvorming en verminderd zicht). Als 'haze' klachten zich ontwikkelen
kan - afhankelijk van de individuele omstandigheden - opnieuw met de laser
worden behandeld, maar ten vroegste 6 maanden na de eerste ingreep. In
minder dan 1% van die gevallen wordt het litteken opnieuw gevormd,
weerstaat het aan de herbehandelingen en wordt het zicht op permanente
wijze aangetast.
Meer over complicaties vindt u hier. |